Jos Arthursen - Yebat’ Tsarya

Het verschijnsel openbaarde zich in de kelder van kringloopcentrum De planeet. Het was vlak na sluitingstijd toen Freek met een volgepakte doos apparatuur, die sinds de invasie verboden was, over de houten trap naar beneden liep. Hij drukte met zijn ellenboog de lichtknop aan. Er viel wat stof op zijn kalende hoofd. Op de plek waar een vroegere haard was dichtgemetseld, zag hij een scheur in het pleister ontstaan. Eerst trilde de muur, toen de tinnen soldaatjes op de schouw; iets wat vaker gebeurde sinds de nieuwe buren het naastgelegen pand weer bewoonbaar maakten. Maar dit was anders, er begon zich een gat in de haard te vormen.

Illustratie door Djanlissa Pringels

Er klonk een grommend geluid dat binnen enkele seconden zo oorverdovend hard was dat Freek beide handpalmen tegen zijn oren moest drukken. Een tornado van stof en dwarrelend betongruis cirkelde om hem heen. De imploderende haard veranderde in een gapend, zwart gat dat als een walvismond alle aanwezige spullen in de ruimte als weerloos plankton in zich opzoog. Freek werd onder de trap gesleurd, klampte zich vast aan het houtwerk om niet ook in het diepe zwart te verdwijnen. Hij perste knarsetandend alle energie uit zijn ranke lijf om stand te houden tegen dit overdonderende natuurgeweld.

Toen het eindelijk tot rust was gekomen, kwam Freek verbouwereerd overeind. Hij sloeg het gruis van zijn pak en zag dat vrijwel alles in de kelder van zijn kringloopcentrum was verdwenen. Hij sloop op zijn tenen dichterbij naar de haard. Met een hand hield hij contact met de muur. Toen er zeker een minuut niets gebeurde, raapte hij het restant van een achtergebleven theekopje van de vloer en ging ermee voor de haard zitten. Hij werd er haast van onder hypnose gebracht, het was diep en meedogenloos, een olievlek op zee. Hij knipperde met zijn ogen, wierp het porselein met een flauwe boog in het zwarte gat en luisterde aandachtig. Geen gekletter, geen scherven.

          Freek schrok van een hard gebonk. Het kwam van boven. Zijn broer Kurt sloeg op de deur. Freek had hem de kelder toegezegd om ‘s avonds in het geheim aan zijn verzetsmanifest te werken.

          ‘Wat een slap gelul,’ spurtte Kurt tegen op de mededeling dat hij de kelder niet in mocht vanwege een kosmische reactie die mogelijk had geleid tot een wormhole naar de hel. En hij stormde op de kelderdeur af.

          ‘My god!’ schreeuwde Kurt toen hij oog in oog met het zwarte gat stond. Freek holde achter hem aan naar beneden. De houten trap kraakte onder zijn voeten. Halverwege haperde hij, zijn benen begonnen te trillen.

          ‘Zie je wat?’ vroeg hij. Kurt keek om zich heen.

          ‘Ik zie vooral dingen niet. Mijn bureau, mijn werk, alles is verdwenen!’

Freek kwam voorzichtig, op handen en voeten bijna, dichterbij gekropen.

          ‘Het is allemaal door dat monster opgezogen.’

Beide mannen staarden op hun hurken naar het zwarte gat, even onbegrijpend als twee kantoorklerken naar een kapotte automotor kunnen kijken. Freek somde alles op wat was verdwenen.

          ‘Behalve dit horloge…’ besloot Kurt en schoffelde met zijn voet tegen het ding dat onder de trap was blijven steken. De mannen keken naar het uurwerk dat plotseling in korte stuiptrekkingen over de keldervloer begon te stuiteren tot het, als door een werphengel weggetrokken, rechtstreeks het gat in verdween. De broers keken elkaar aan, en vervolgens weer de haard in. Het duistere niets zoemde zachtjes, monotoon als een monnik. De broers kwamen weer wat dichterbij. Het was magnetisch. Ze waren gewillige bedevaartgangers, die op hun knieën, stap voor stap, het zwarte gat betraden.

Freek snelde naar buiten. Er vlogen vogels in de lucht, enkel vogels. Hij inhaleerde de frisse lucht, zoals dat was vóór de invasie. Hij zag mensen over de gracht fietsen, een sloep met studenten aan boord voer langs, hij hoorde de klokken van het kerkje verderop twee uur slaan. Een backpacker liep langs de winkelpui.

          ‘Alles is weer zoals het hoort! De grachtenpanden zijn intact, de torens prijken fier op de kerken, de klinkers zonder kraters van mortiergeweld. Zelfs onze antieke kassa staat weer op de toonbank.’ Hij gaf een goedbedoelde klap op het oude ding, waarop in groene digitale cijfers de datum stond aangegeven.

          ‘Maar dat kan niet,’ zei Freek. ‘We zitten één jaar voor de invasie!’

Terwijl hij probeerde te bevatten wat dit betekende, verscheen er een gelukzalige grijns op Kurts gezicht.

          ‘Er is geen drone te bekennen. We kunnen over straat zonder dat we worden gescand, en Yebat' Tsarya! uit onze longen schreeuwen zonder dat we ervoor in een strafkamp eindigen.’ Kurt riep luidt door de winkel en over de grachten: 'Yebat' Tsarya! Yebat' Tsarya! Yebat' Tsarya, pyramo seychas!

Voorbijlopende mensen verstonden er niets van, hadden nog nooit van de leus gehoord. Hoe anders zou dat zijn als dezelfde mensen over tien jaar weer over deze gracht zouden lopen. Ze zouden het elkaar in de oren fluisteren, op briefjes aan elkaar doorgeven en met gevaar voor hun leven in de nacht op de winkelramen kalken.

          ‘En dan te bedenken dat ze nog geen enkel benul hebben van wat ze te wachten staat,’ zei Kurt. Freek stelde voor om de nieuwste medicijnen, die sinds de invasie waren uitgevonden, naar het verleden te brengen om de pijn die velen zullen lijden wat te verzachten. Kurt vroeg zich hardop af of ze niet wat groter moesten denken.

          ‘De invasie voorkómen bijvoorbeeld, om maar wat te noemen.’

          ‘Maak jezelf niet belachelijk,’ zei Freek, ‘denk je nou echt dat je dat leger bij de grens eigenhandig weet af te wenden?!’

          ‘Mijn manifest,’ zei Kurt, ‘we kunnen mijn manifest verspreiden!’ Hij griste een papieren exemplaar uit zijn tas en smeet het op de toonbank. ‘Het heet: “Iedereen: Een democratisch appèl waar we de wereld mee kunnen samenbrengen voor het te laat is”.’ Kurt maakte sprongetjes van opwinding, want hij had geen uitgever kunnen vinden, maar wel een wormhole. En dat was eigenlijk nog veel effectiever.

          ‘Dat leidt uiteindelijk alleen maar tot bloedvergieten,’ zei Freek. ‘Kijk naar Marx, wat heeft die met z’n manifest bereikt? Een hoop verspilling en we zijn weer helemaal terug bij af. Wil je de wereld echt een dienst bewijzen, gooi dan wat technologisch vernuft door dat gat.’

          ‘Maar het gaat om de manier waarop we met elkaar samenleven en tot elkaar verhouden. Wat jij beschrijft is puur werktuig. En het gaat niet om de functie, maar om de intentie!’

          ‘Dat werktuig zorgt er wel voor dat we met elkaar over de hele wereld kunnen communiceren en onszelf kunnen verplaatsen, dat heeft toch een veel grotere impact op de evolutie dan al dat geouwehoer?’

          ‘Geouwehoer?’ Kurt was furieus. Hij dook terug het zwarte gat in, smeet de deur van De planeet achter zich dicht en ging zich verdrinken in een verzetscafé in zijn eigen tijd, en het was in dit etablissement dat Kurt na een aantal glazen wodka met dubbele tong over het zwarte gat vertelde. Hij kletste aan een stuk door over wat hij had gezien aan de andere kant van het portaal. De mensen aan de bar luisterden aandachtig en wachtten op de clou van het verhaal, in de veronderstelling dat Kurt een hele lange mop aan het vertellen was. Maar er kwam geen einde aan, waardoor de mensen langzaam afdropen en Kurt alleen overbleef met een man aan het uiteinde van de bar. Een man die luisterde alsof hij hem vertelde over een pot met goud aan het einde van de regenboog. Hij schoof iedere vijf minuten een krukje op, tot de twee naast elkaar aan de toog zaten en de man vertelde wie hij was: Adrik Morozov, leider van het verzet.

Het was acht uur in de ochtend. Kurt en Adrik stonden Freek op te wachten voor het winkelpand, nog wat warrig van de korte nacht. De man stelde zich voor, keek Freek met halfdichte ogen aan, en verwachtte niets meer terug dan directe toegang tot het verleden.

          ‘Dat gaat zomaar niet,’ zei Freek met een kaarsrechte rug. Kurt, die de ijzige temperatuur van de kennismaking kon voelen alsof hij een koelkast opentrok, wreef zijn handen warm en zei: ‘Mijn kameraad Adrik wil iets met je bespreken. Het gaat over de invasie: hij is aanvoerder van het verzet en mogelijk is het allemaal nog tegen te houden.’

Hoewel Freek sceptisch bleef, was zijn interesse gewekt. Het drietal nam plaats op een aantal bij elkaar geschoven meubelen en nadat Freek koffie had gezet om de kater van de heren wat te verminderen, begon Adrik te vertellen over zijn plan.

          ‘Je moet me door dat gat laten gaan om alles te stoppen.’

Freek barstte in lachen uit: ‘Dat zeggen jullie nu voor de tweede keer, maar wat wil je doen? Een steen door de torens van het Kremlin gooien? Ze pakken je op en alles gaat zoals het gegaan is. Kijkt u de ruimte eens rond, alles wat hier staat gaat weg en komt weer terug, in een andere vorm misschien, in een andere kleur of een vernieuwde versie, maar de behoeften van de mens blijven circulair. De Tsaar is weer terug in een nieuwe gedaante. Jij komt vast ook weer terug onder een nieuwe naam om hem te verdrijven.’

          ‘Morozov,’ zei Adrik, en liet een stilte vallen.

          ‘Ja…en?’ vroeg Freek.

          ‘Heb je dan geen enkel historisch besef?’ vroeg Adrik, en hij vervolgde: ‘Hij was de laatste oppositieleider in het Russische parlement, totdat de president zichzelf tot Tsaar kroonde en hij met zijn familie naar West-Europa is gevlucht. Die man was mijn opa.’

Kurt knikte, het was hem aan de bar al lang en breed uitgelegd, maar nu viel ook Freeks mond open van verbazing, en Adrik vervolgde zijn betoog.

          ‘De annexatie van de Krim en de oorlog met Oekraïne zijn niet meer te stoppen, maar de verwoesting van Polen, de inname van de Baltische staten en de invasie van West-Europa kunnen we misschien nog tegenhouden. Als ik terug keer in de tijd en mijn opa weet te overtuigen wat de president en zijn handlangers werkelijk van plan zijn, kunnen we het tij nog keren.’

Freek keek naar de punt van zijn schoenen en vroeg zich af wat het zou schelen welke vorst er aan het Rode Plein huishield. Macht, oorlog, verwoesting, of men nu door een president of door een Tsaar wordt beschoten, de kogel doorklieft het lijf.

          ‘Het is de gok waard,’ zei Kurt vastbesloten.

          ‘Maar wel op één voorwaarde,’ zei Freek, en nadat de broers klaar waren met hun onderhandeling en Adrik een aantal beloften liet doen, liep het drietal de trap af naar het zwarte gat. Adrik voorop met in zijn binnenzak een laatste versie van Kurts manifest, en in zijn handen een volgepropt doosje medicijnen met bijsluiters dat Freek had bedongen. Adrik bracht de mannen in het Russisch een laatste groet voor hij het zwarte gat instapte, Kurt en Freek zeiden hem vlekkeloos na en voegden eraan toe: Yebat’ Tsarya, fuck de Tsaar.

Het zwarte gat vervaagde en verdween zo snel als het gekomen was. De broers bleven er nog even naar staren, alsof ze in gedachten nog wat aarde op de kist gooiden tot het gat helemaal gedicht was. Het was tijd om De planeet weer te openen, de eerste klanten stonden buiten voor de deur te wachten.

          ‘Trotski,’ zei Kurt bovenaan de trap met opgeheven vinger. ‘Met hem was de revolutie een stuk vreedzamer geweest. De ellende is begonnen bij de ontwikkeling van de zware industrie.’

Freek zette de vuile mokken in de vaatwasser, die meteen na het aanzetten zo hard begon te ronken dat het Kurts verdere betoog overstemde.


EINDE



de   futurist

Je gids uit de toekomst

  • Facebook - White Circle
  • Twitter - White Circle
  • Instagram - White Circle