de   futurist

Je gids uit de toekomst

  • Facebook - White Circle
  • Twitter - White Circle
  • Instagram - White Circle

Hugo #4: The Big Time | Een nazi, een Engelsman en een Romein zaten in een bar

 

Het is een treurige beperking van ons mensen dat we de tijd zien als een grote eenrichtingsstraat waar we met hoge snelheid overheen denderen. Wie heeft nooit eens vurig gewenst om terug in de tijd te gaan om een opmerking, gemaakt op een laat tijdstip in een rumoerig café, ongedaan te maken, zodat je nu nog met een intact neusbotje zou rondlopen? Of om terug te gaan om je aan te melden als vrijwilliger bij de campagne van Hillary Clinton, die met jouw hulp uiteraard op haar sloffen de verkiezingen zou winnen? Fritz Leiber toont ons in The Big Time een wereld waarin het verleden net zo maakbaar is als het heden, maar denk niet dat men van de gelegenheid gebruikt maakt om de wereld ten goede te veranderen: tijdreizen geeft de mensheid alleen een extra dimensie om oorlog in te voeren.

 

 

​Denk je aan sciencefiction, dan denk je aan tijdreizen. The Time Machine, Slaughterhouse-Five, The Terminator, Back to the Future: een mensenleven is te kort om alle boeken en films waarin mensen heen en weer hopten door de tijd te lezen en te bekijken – een bewijs dat het onderwerp voor velen, waaronder voor mij, eindeloos fascinerend is. Ik was dan ook buitengewoon in mijn nopjes toen ik de summiere plotbeschrijving op het omslag van The Big Time las: “The soldiers travel through time – changing the course of history”. Eindelijk, na boeken over telepathie, alwetende machines en interplanetaire acteurs had ik hier een Hugo-winnaar over het opperste onderwerp binnen de sciencefiction in mijn hand. 

 

Als je spectaculaire avonturen in het verleden en in de toekomst verwacht, kom je hier bedrogen uit. Het hele boek speelt zich af in dezelfde ruimte: een kruising tussen een bordeel, een café en een ziekenboeg, waar soldaten kunnen herstellen van hun oorlogservaringen. De aanleiding en het doel van de oorlog is mysterieus, het enige dat de soldaten weten is dat er twee partijen zijn, de Slangen en de Spinnen, die allebei tijdreizende soldaten inzetten om de loop van de geschiedenis in hun voordeel te veranderen. Zoals wel vaker het geval is met oorlogen, komen de soldaten nooit in aanraking met diegenen die verantwoordelijk zijn voor het verloop van de oorlog, dus ze voeren een oorlog om onbekende redenen, met een onbekend doel, in dienst van onbekenden – Kafka zou wel raad weten met dit materiaal. 

 

De soldaten waren eens gewone mensen, maar zijn door de Slangen gerekruteerd voor de oorlog, waarna

ze door de tijd konden reizen. Hun afkomst is nogal verschillend. Onder andere een Romein, een zestiende-eeuwse Engelsman en een Nazi-officier komen voor in het verhaal, wat in het begin nog een vermakelijk effect heeft in de trant van “wat zou er gebeuren wanneer Julius Caesar zou werken in een postkantoor op Schiermonnikoog?” maar al snel potsierlijk overkomt, vooral omdat Leiber ervan geniet om zijn dialogen in een Shakespeareaanse jas te hullen (“Thou speakst my thoughts, sweetling”). De personages zijn bovendien nogal tweedimensionaal, iedereen gedraagt zich exact zoals je zou verwachten hoe iemand uit hun tijdperk zich zou gedragen – met bijvoorbeeld een stoïcijnse Romein die toepasselijke Latijnse spreuken prevelt en een agressieve, misogyne en vrede-hatende nazi-officier die boos Duitse verwensingen schreeuwt. 

 

 

Toch is het boek geen droeve bedoening. Leiber heeft veel aandacht besteed aan de problematische details van het tijdreizen, waarbij mensen er een handje van hebben om spontaan te verdwijnen als er met het verleden wordt gerommeld en hun geboorte opeens wordt verhinderd. Die continue veranderlijkheid in de tijd uiten zich als speciale windvlagen, die altijd de dreiging van acute Change Death met zich meevoeren. Zodra die Change Winds in de loop van het boek echter verdwijnen, realiseren de soldaten zich dat ze verslaafd zijn aan die constante dreiging en krijgen ze last van afkickverschijnselen die hen al snel doen terugverlangen naar hun veranderlijke bestaan. Dit soort inventieve elementen tillen het universum van The Big Time boven standaard jaren ’50 pulp-sciencefiction uit, evenals de humor die weliswaar soms compleet gedateerd is, maar zich ook uit in fantastische zinnen als: “[A]s Gertie Stein might put it, you can’t time travel through the time you time travel in when you time travel.

 

Het plot van het boek is niet veel meer dan een variatie op de aloude gesloten-kamermoord whodunnit, alleen is de vraag hier niet “wie heeft de moord gepleegd?” maar “wie heeft het portaal naar de kosmos verstopt waardoor we hier met z’n allen in deze kamer opgesloten zitten tot het eind der tijden?” De ontknoping van het verhaal is niet bijster indrukwekkend en de kosmisch-filosofische verklaring voor de oorlog waarmee Leiber in de laatste twee pagina’s op de proppen komt evenmin, dus ik zou nu niet direct een grote zoektocht door ´s lands antiquariaten starten naar een exemplaar van The Big Time – maar voor liefhebbers van het tijdreis-genre (of van moppen die beginnen met “een nazi, een Engelsman en een Romein zaten in een bar”) is het de moeite van de zoektocht waard. 

 

 

 

Volgende maand: A Case of Conscience, van James Blish. Over een Jezuïet die een moreel onberispelijk buitenaards volk onderzoekt en zich afvraagt hoe ze in hemeltjesnaam die moraliteit hebben ontwikkeld zonder de hulp van Onze-Lieve-Heer. 

 

 

 

Please reload

Please reload